Posts tonen met het label Onderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderzoek. Alle posts tonen

vrijdag 28 november 2008

NU'91 reageert op IGZ rapport

Op de website van NU'91 is hun verklaring aangaande het IGZ rapport over vrijheidsbeperkende maatregelen (VBM). Over het IGZ rapport blogde ik vorige week

Persoonlijk vind ik het een vrij obscuur stuk, waar ik graag een blogpost aan wil wijden. Mijn indruk is nl. dat NU'91 het rapport alleen gebruikt om het punt van onderbezetting te belichten. Nu kan ik me voorstellen dat dit een erg belangrijk punt is voor een beroepsorganisatie, maar een weinig nuance lijkt me noodzaakelijk. Ik zal proberen mijn reden om dit aan te nemen aan te tonen door stukken uit de verklaring van NU'91 te citeren en hierop te reageren. Vooraf dient nog gezegd te worden dat ik de verklaring van Nu'91 met name vanuit de PG situatie zal bekijken. Ik weet nl. te weinig van de zorg voor verstandelijk gehandicapten. But here it goes:

NU’91 wil vooropstellen dat er weinig verpleegkundigen en verzorgenden zijn die ‘nodeloos knevelen’, zoals de Inspectie dat noemt. De beroepsgroep weet heel goed waar zij mee bezig is.

Dit is om een aantal redenen een vreemde stelling. Ten eerste wordt er alleen ingegaan op het 'knevelen'. En dat is slechts een onderdeel van de VBM waar de IGZ zich op heeft gericht in haar onderzoek en rapport. Ten tweede is het volgens het rapport duidelijk dat deze maatregelen wél teveel worden toegepast, zonder dat het de aangewezen methode is op basis van de situatie. Ook blijkt uit de gegevens uit het onderzoek van de IGZ, dat de beroepsgroep niet 'heel goed' weet waar ze mee bezig is, getuige de beschrijving van de opvattingen van verplegend en verzorgend personeel omtrent VBM die in het rapport zijn te lezen.

De Inspectie beseft blijkbaar niet dat het water de beroepsgroep tot aan de lippen staat. Jacqueline den Engelsman, CAO-onderhandelaar NU’91, zegt: 'De Inspectie heeft boter op haar hoofd!’

Eerlijk gezegd lijkt me dat ook niet de taak van de IGZ. Het is een inspectiedienst. Ze dienen aan te geven wat er goed en fout is aan de zorg als zodanig. Ontegenzeggelijk ben ik de factor 'tijd' niet veel tegengekomen in het IGZ rapport. Maar laten we ook niet voorbijgaan aan de instellingen die de zweedse band al in de ban hebben gedaan. Zijn daar t.g.v. deze verandering enorme tijdsproblemen ontstaan? Nu'91 zou een sterk punt kunnen maken door dergelijke verifiëerbare zaken op te nemen in een verklaring.

NU’91 is van mening dat een dergelijke intentie tien jaar geleden prima afgesproken had kunnen worden. Toen liep er nog één verpleegkundige of verzorgende op drie cliënten, waar dat nu één op acht is. Dat betekent dat in de loop van de jaren de aandacht voor de cliënt noodgedwongen steeds minder is geworden onder druk van bezuinigingen, het nieuwe zorgstelsel en het tekort aan personeel.

Ik ben van mening dat dit een curieus argument is. Als de intentie tien jaar geleden was afgesproken en deze nu nog zou gelden, zou dan de verhouding tussen personeel en cliënten nu anders zijn? M.a.w. de intentie zou nog steeds door een te kleine bezetting moeten worden uitgevoerd! Vind Nu'91 het nu wel of niet mogelijk om met een kleine beroepsgroep VBM terug te dringen? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit overkomt als een contradictie van de bewering dat 'de beroepsgroep heel goed weet waar zij mee bezig is'

Iedereen weet dat mensen die te weinig aandacht krijgen, op de een of andere manier aandacht gaan vragen. Ze worden onrustig en beweeglijk of zelfs boos en agressief. Als een verpleegkundige of verzorgende in haar eentje acht mensen moet verzorgen, is de werkdruk te hoog en zal zij onvoldoende aandacht kunnen geven. Zij zal een keuze moeten maken tussen bijvoorbeeld een val uit een stoel met alle gevolgen van dien, en een vrijheidsbeperkende maatregel. Of een cliënt wordt agressief, je bent alleen en verantwoordelijk voor de veiligheid van de andere cliënten: wat doe je dan?

Ook hier krijg ik niet de indruk dat Nu'91 heel erg rationeel omgaat met het rapport. Er wordt (weer) alleen gekeken naar de verpleegkunde:client verhouding. Het rapport geeft echter ook aan dat de omgeving belangrijk is, zoals muziek en de aanwezigheid van een 'rondgang'. Ook moet Nu'91 het volgende bericht van 'Zorg voor Beter' wellicht eens lezen: Het Non-fixatiebeleid, Zorggroep Almere, Polderburen De keuze, zoals gesteld door Nu'91 in hun verklaring, lijkt te kort door de bocht.

Natuurlijk horen deze dilemma’s bij het vak, daar is de beroepsgroep voor opgeleid.

Helaas niet altijd voldoende, zo blijkt uit het rapport.

Maar de afgelopen jaren lopen verpleegkundige dagelijks rond met deze dilemma’s en zij kunnen ze met de beperkte middelen (scholing, personeel, geld) die hen worden geboden niet meer oplossen. Hen wordt opgelegd vrijheidbeperkende maatregelen te verminderen, maar tegelijkertijd dragen zij wel de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de cliënten, die ook nadrukkelijk door de Inspectie bij de beroepsgroep is neergelegd.

Wederom lijkt er sprake van interne inconsistentie, hadden we immers net niet gelezen dat 'de beroepsgroep heel goed weet waar ze mee bezig is'? Daarbij heb ik ook niet de indruk gekregen dat de IGZ de verantwoordelijkheid alleen bij de verpleegkundigen neerlegt. Artsen zijn bijvoorbeeld ook erg belangrijk in het geheel. Uit het rapport bleek zelfs dat afspraken over de verantwoordelijkheid voor het beleid duidelijk waren.

De intentie die nu is afgesproken kan alleen maar helpen als het een aanzet geeft tot meer middelen en een creatief proces, waarbij vooral naar de beroepsgroep wordt geluisterd. Als dat niet het geval is, zal de veiligheid op de werkvloer worden geschaad. NU’91 zal ervoor pleiten de verpleegkundige en verzorgende beroepsgroep nadrukkelijk te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de dilemma’s waar zij dagelijks mee te kampen hebben.

Gelukkig kan de verklaring nog wel een open deur intrappen. Niettemin ben ik het er helemaal mee eens dat het heel belangrijk is de beroepsgroep in het proces te betrekken. Maar wat wordt bedoeld met 'de veiligheid' op de werkvloer? (en waarop baseren ze dat deze zal afnemen?)
De veiligheid van (slecht) gefixeerde cliënten is daarbij ook duidelijk in het gedrang, getuige de doden die zweedse banden hebben veroorzaakt.

woensdag 19 november 2008

In 2011 de zweedse band achter slot en grendel!


Het IGZ rapport 'Zorg voor vrijheid: terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen kán en moet' is gisteren uitgekomen.

Op basis van een onderzoek onder 86 afdelingen (55 PG, 31 verst. geh.) publiceerden zij hun bevindingen. En die zijn niet bepaald altijd mals...
De afdelingen zijn twee maal bezocht, waarvan de eerste keer onaangekondigd. Op basis van een indeling in vijf categorieën werd vervolgens gekeken hoe is stond met het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen:

  • fysieke vrijheidsbeperking
  • Gedragbeïnvloedende medicatie
  • Domotica
  • Individuele afspraken met cliënten
  • Vrijheidsbeperkende maatregelen die alle bewoners treffen (deur op slot etc.)
Nu zou enkel het kijken naar welke en hoeveel van deze maatregelen in de praktijk naar voren komen niet een bijzonder sterk onderzoek hebben opgeleverd. (althans, niet iets dat je van de IGZ zal verwachten), dus het hele plaatje werd onder de loep genomen: het zorgproces, de communicatie, verantwoording, deskundigheid, preventiebeleid, randvoorwaarden voor goede zorg en de accomodaties. De locaties konden op de verschillende onderdelen 'goed', 'matig' of 'slecht' scoren.

Sommige cijfers zijn bepaald schokkend te noemen wat mij betreft, met name voor de PG (waar ik me op zal focussen):

  • Per 100 PG cliënten werden gemiddeld 202 vrijheidsbeperkende maatregelen genomen, waarvan ong. de helft bestond uit fysieke beperking.
  • Bij 28% van de PG locaties werd een 'goed' gescoord op het gebied van deskundigheid van zorgverleners
  • Per 100 cliënten krijgen er gemiddeld 30 medicijnen tegen de onrust, al dan niet verstopt in het eten. (niet toegestaan!)
  • Meer dan de helft van de PG locaties scoort matig op het gebied van preventiebeleid
  • 33% van de PG locaties maakten gebruik van risicotaxaties m.b.t. het gebruik van fixatiemiddelen
  • Op 69% van de PG locaties was regelmatige bijscholing matig of slecht geregeld
Tussen de PG afdelingen is er een flink verschil in de frequentie van toepassing van vrijheidsbeperkende middelen te zien: de 'slechte' instellingen pasten drie keer zo vaak vrijheidsbeperkende maatregelen toe dan de goede. Van de 55 PG afdelingen waren er 4 afdelingen die 6 maal een slecht scoorden en 5 die geen enkele slechte score noteerden.

Wel goed waren over het algemeen: multidisciplinair overleg, openheid over vrijheidsbeperking onder collega's, overleg tussen instellingen, vastleggen van beslissingen rondom fixatie in dossiers, bekendheid van verantwoordelijkheid voor beleid per cliënt.

Het plan is dus om in 2011 de volgende zaken te realiseren:
  • Praktisch totale uitbanning van de onrustband (alleen nog te gebruiken in zéér uitzonderlijke gevallen)
  • Reductie van ander vrijheidsbeperkingen, zoals afzondering en medicatie zijn met ten minste 25%.
  • Vrijheidsbeperkingen met een collectief karakter dienen met 40% terug gebracht te worden.
In hoofdstuk vier van het rapport geven de auteurs overigens een behoorlijke hoeveelheid goede voorbeelden, om bovengenoemde doelstellingen te gaan halen. Enkele opvallende:

Gebruik van een dier-o-theek, plakplastic voor ramen van cliënten die veel naakt rondlopen, gebruik van Swash haircaps (om haren te wassen) en het inrichten van een ruime tuin.

Bij het rapport horen een tweetal andere publicaties, die hieronder ook genoemd worden, inclusief link om deze direct te downloaden.
Rapport Zorg voor vrijheid terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen [293Kb]

Zorg voor vrijheid - overzicht scores en acties van bezochte instellingen [165Kb]

Bijlage 1 - Toetsingskader zorg voor vrijheid [132Kb]

maandag 17 november 2008

Griepvaccinatie op de computer

De komende tijd zal ik waarschijnlijk wat meer bloggen over de griepvaccinatie, aangezien ik samen met een groepsgenoot een verslag + onderzoeksplan aan het voorbereiden ben. Via de RSS feed van TVV online kwam ik op een onlangs in PLoS verschenen onderzoek: The Effects of Influenza Vaccination of Health Care Workers in Nursing Homes: Insights from a Mathematical Model. (klik hier om het onderzoek te downloaden) In het onderzoek heeft men een verpleegafdeling gesimuleerd met 30 bedden, verdeeld over 15 tweepersoonskamers, en 30 medewerkers

In het onderzoek heeft men, met behulp van een wiskundig computermodel, gepoogd te onderzoeken of er (o.a.) sprake is van zgn. 'herd immunity' (groepsimmuniteit) bij een bepaalde vaccinatiegraad onder personeel in het verpleeghuis. Hier ben ik al een tijdje benieuwd naar, maar volgens de onderzoekers is er op basis van hun data geen drempelwaarde bekend waarbij dergelijke immuniteit optreedt. Dit houdt ook in dat, op basis van de onderzoeksgegevens een 100% vaccinatiegraad onder zorgverleners uitbraak van een griepepidemie niet tegen zal kunnen houden. Wel blijkt uit hun data dat het waarschijnlijk is dat iedere ingeënte zorgverlener een stap in de goede richting is; de stap van 10% naar 20% vaccinatiegraad is net zo belangrijk als die van 80% naar 90% (en vice versa). Zo'n 60% van de influenza infecties zou te voorkomen zijn, als een vergelijking wordt gemaakt tussen een vaccinatiegraad van 0 (niemand gevaccineerd) en 1 (alle medewerkers gevaccineerd).

Wederom vind ik de berichtgeving (op TVVonline) over het onderzoek wat mager: er wordt met geen woord gerept over het feit dat het gaat om een onderzoek waarbij geen enkele patiënt aan te pas is gekomen; het is een puur mathematisch model, waarbij enkele (belangrijke) variabelen niet op basis van eerdere onderzoeksgegevens gebaseerd konden worden: de mate waarin het griepvirus van persoon tot persoon wordt overgedragen. De onderzoekers zelf zijn hier duidelijk over en ook in de abstract wordt gewaarschuwd voor al te stellige conclusies op basis van de gegevens.Niettemin blijft er een zeer duidelijk verband te zien tussen de graad van vaccinatie en voorspelde infecties; ook dit onderzoek wijst weer duidelijk in de richting dat vaccineren van medewerkers in het verpleeghuis een belangrijk aandachtspunt is!

van den Dool C, Bonten MJM, Hak E, Heijne JCM, Wallinga J (2008). The Effects of Influenza Vaccination of Health Care Workers in Nursing Homes: Insights from a Mathematical Model. PLoS Med 5(10): e200 doi:10.1371/journal.pmed.0050200

vrijdag 10 oktober 2008

Dat gaat zomaar niet! Over het invoeren van richtlijnen.

Nivel heeft weer een fraai stukje literatuuronderzoek afgeleverd:

Factors influencing the implementation of clinical guidelines for health care professionals: A systematic meta-review

Vrij vertaald: Factoren die de implementatie van klinische richtlijnen voor zorgprofessionals beïnvloeden.
In het onderzoek hebben ze willen achterhalen wat succesfactoren (en valkuilen) bij het invoeren van nieuwe richtlijnen zijn. (zoals de nieuwe EADV richtlijn) Een nieuwe richtlijn betekent immers nog geen nieuwe praktijk!
Ze begonnen in 2006 met 885 mogelijk nuttige zoekresultaten in de medische onderzoeksdatabases en dit jaar leveren ze de gegevens van 12 bruikbare meta analyses op in hun onderzoeksverslag. In de gebruikte analyses kwamen factoren aan de orde als: complexiteit van de richtlijnen, co-morbiditeit van patiënten, evidence base van richtlijnen, bij ontwikkeling van richtlijnen betrokken professionals, etc. Deze factoren zouden volgens de geraadpleegde onderzoeken een negatieve impact hebben op de uitvoering

Helaas, er is geen keihard bewijs om die statements hard te maken, aldus Francke et al. De onderzoekers concluderen op basis van hun gegevens dat de evidence base 'thin' is. Veel reviews missen een goede onderzoeksmethode en de methodologisch goede onderzoeken hebben een kleine onderzoekspopulatie. Er is dus niet met een gegronde zekerheid te zeggen wat nu een goede strategie is op basis van bestaande literatuur, en verder onderzoek is nodig. Persoonlijk vind ik de aankondiging op de site van Nivel daarom een beetje al te stellig. Zo reppen ze met geen woord over de mankementen van het gebruikte onderzoeksmateriaal en dat lijkt me toch een matige weergave van de werkelijkheid.

Het is tenslotte ook goed om te weten wat je niet weet en toe te geven dat je het niet weet. Gezien de regen aan richtlijnen zou het echter wel wenselijk zijn verandering aan te brengen in wat we niet weten.

Bron:
Francke, A.L., Smit, M.C., Veer, A.J.E. de & Mistian, P. (2008). Factors influencing the implementation of clinical guidelines for health care professionals: A systematic meta-review. BMC Medical Informatics and Decision Making 2008, 8:38

dinsdag 7 oktober 2008

Injecteren van insuline, revisited

Evidence based handelen. Het is even geleden dat ik er over gepost heb, maar vandaag kwam er via de RSS feed van nursing.nl een goede reden om daar verandering in te brengen:

De EADV (de beroepsorganisatie van diabetesverpleegkundigen) presenteert de eerste Nederlandse richtlijn voor het 'toedienen van insuline met de insulinepen'

Het uiteindelijke resultaat is een totaal van 33 aanbevelingen, gebaseerd op onderzoek (105 in totaal) met verschillende bewijskracht. Niveau's van bewijskracht worden vaak uitgedrukt volgens de richtlijnen van het CBO, waarbinnen 5 niveau's worden onderscheiden:
A1 Systematische review, waarbij tenminste enkele onderzoeken van niveau A2 betrokken zijn. De verschillende onderzoeken dienen consistente resultaten aan te geven

A2 Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (dubbelblind gecontroleerd onderzoek op een voldoende grote onderzoekgroep met consistente resultaten)

B Gerandomiseerd klinisch onderzoek van matige kwaliteit (onvoldoende omvang van de onderzoeksgroep of inconsistente resultaten

C Niet vergelijkend onderzoek

D Mening van deskundigen (expert opinion)
Binnen de richtlijn voor het injecteren van insuline met de insulinepen wijkt de EADV hier van af. Zij defiëneren vier niveau's als volgt:
1. onderzoek van niveau A1, of tenminste twee onafhankelijk uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2. 1 onderzoek van niveau A2, of tenminste twee onafhankelijk uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3. 1 onderzoek van niveau B of C

4. Mening van deskundigen
Binnen deze grenzen leveren zij 21 aanbevelingen met een sterk niveau van bewijsvoering (niv. 2), 10 met een matig niveau van bewijsvoering (niv. 3) en twee met slechte bewijsvoering en expertopinions.

Een algeheel overzicht van de verschillende aanbevelingen is te vinden op de afbeelding hiernaast. (dit is pag. 5 uit de richtlijn, klik op de afbeelding voor een grote versie)

In verband met mijn stage heb ik me de laatste perioden ook verdiept in het toedienen van insuline in de zorg voor de cliënt met diabetes en het is leuk om te zien dat ik in mijn voorbereidingen op de goede weg terecht ben gekomen. (Natuurlijk met zeer goede hulp!) Daarbij heb ik me ook verdiept in het injecteren met behulp van rotatieschema's (ook aanbevolen binnen de richtlijn), waarover ik zeker nog eens ga posten.


Voor nu veel plezier met de richtlijn: 'toedienen van insuline met de insulinepen'!

donderdag 18 september 2008

Pim van Lommel in Nursing

Een tijd terug kreeg ik via mijn ouders het boek 'oneindig bewustzijn' van Pim van Lommel te lezen. Van Lommel, die bijna dertig jaar als cardioloog heeft gewerkt, is onlangs in de belangstelling gekomen na publicatie van dit boek, waarvan de volledige titel 'Eindeloos bewustzijn; een wetenschappelijk visie op de bijna-dood ervaring' luidt.

De titel van zijn boek geeft direct de spagaat aan waarin van Lommel zich heeft begeven, want de kritiek op zijn boek is niet mals.
Zo heeft Dick Swaab (neuroloog) en plein public voor de TV verklaard dat het voorkomen van het woord 'wetenschappelijk' in de ondertitel misleidend is.
In de Nursing van juli/augustus van dit jaar prijkt een artikel van drieëneenhalve pagina waarin Lommel uiteenzet over de bijna dood ervaring (BDE). Van Lommel heeft op dit gebied vrij baanbrekend onderzoek uitgevoerd, dat in 2001 resulteerde in een publicatie in het gerenommeerde tijdschrift The Lancet.

Om de ervaring van een BDE kunnen mensen niet heen. Beschrijvingen van de gevoelens doorkruisen leeftijdsgroepen, religie en culturele achtergrond. Het artikel in Nursing roept op tot verpleegkundig begrip voor mensen met een BDE. Hier lijkt mij natuurlijk helemaal niets mis mee. 'Feelings are facts', zo plachtte de docent Relationele Vaardigheden in mijn eerste en tweede jaar van de opleiding menigmaal in onze hersenpannen te verzinken.

So far so good. Van Lommel gaat in het artikel in Nursing het boekje van de BDE niet te buiten. Het boek dat echter aangeraden wordt ter verdieping, niet geheel onverwacht zijn eigen boek, is van een heel ander laken een pak. Naast de beschrijving en bevindingen van en uit zijn onderzoek gaat van Lommel aan de haal met ons bewustzijn en zoekt er een verklaring voor waarin zaken als genetica, geheugen en quantummechanica een belangrijke rol spelen. Nu gaat bij het aanhalen van deze wonderlinge wetenschapen bij mij meestal het alarmlicht op rood en ik kan niet ontkennen zijn boek op veel punten wel erg onwetenschappelijk te vinden, wat betreft de kijk op het bewustzijn. Mensen aanraden om zich in te lezen op het gebied van wat hen is overkomen is mijns inziens meestal een goede zaak.

Maar laten we wel het kaf van het koren blijven scheiden! Zoals bijvoorbeeld Gert Korthof op zijn blog heeft gedaan in een uitgebreide en meerdelige bespreking van het boek, onder de titel, 'fouten in het boek van van Lommel'. Ook zijn er twee gastbrijgen van Martin van Staveren (fysicus) aangeleverd. (Het blog van Korthof is trouwens van harte aan te raden voor iedereen die zich interesseert in filosofie, biologie en evolutie)

Het boek van van Lommel heeft voor mij in ieder geval geen meerwaarde gehad, of mijn ideeën over bewustzijn veranderd. Niettemin zal ik de cliënt die over een BDE spreekt natuurlijk respectvol benaderen. Maar dat spreekt voor zich. Toch? Niet helemaal, zo blijkt uit de verklaringen van mensen die verpleegd werden na het doormaken van een BDE in het artikel in Nursing. En dan dient de verpleegkundige weer bij z'n leest te blijven naar mijn idee.

Hieronder zijn in chronologische volgorde de blogberichten van Gert Korthof en Martin van Staveren te vinden m.b.t. het boek van van Lommel. Serieuze en zware kost, maar zeker de moeite waard:
31 december 2007 Fouten in het boek van Pim van Lommel (1)
4 januari 2008 Fouten in het boek van Pim van Lommel (2)
7 januari 2008 Pim van Lommel en kwantummechanica
8 januari 2008 Pim van Lommel over hersenen en bewustzijn
10 januari 2008 Fouten in het boek van Pim van Lommel (3)
21 januari 2008 Fouten in het boek van Pim van Lommel (4)
25 januari 2008 Fouten in het boek van Pim van Lommel (5)
Bronvermelding:
Douma, L (2008): Zweven tussen dood en leven. Nursing juli/augustus p.36-39

Lommel P van (2007): Eindeloos bewustzijn; een wetenschappelijke visie op de bijna-dood ervaring. Kampen: Ten Have

Lommel P van et al. (2001): Near-death experience in survivors of cardiac arrest; a propective study in the Netherlands. The Lancet vol. 358 p. 2039

dinsdag 12 augustus 2008

Ouder worden, fruitvliegjes, genen en de ziekte van Alzheimer.

Een schijnbaar 'random' verzameling termen in de titel, maar Chun-Fang Wu van de univerisiteit van Iowa heeft er een verband in gevonden, zo valt te lezen op de website van Scientific American (S.A.).

Ze onderzocht (zoals zovelen) groepen van drosophila melanogaster, ook wel bekend als het fruitvliegje. Het eigene van haar werk (en een van haar studenten): onderzoeken of er een genetische oorzaak te vinden is voor het verschijnsel dat omgang met jonge soortgenoten de levensverwachting van ouderen verhoogt. Dit is volgens S.A. een goed gedocumenteerd verschijnsel bij zoogdieren zoals ratten en niet-menselijke primaten, waar Wu nu dus een genetische oorzaak voor lijkt te hebben gevonden.

In haar onderzoek pastte Wu de genetische informatie van de fruitvliegjes aan op het zgn. Sod1 gen. Dit gen wordt bij mensen in verband gebracht met twee zeer ernstige ziektes: Alzheimer en ALS. Door de genetische informatie van de vliegjes aan te passen verkortte Wu de levensduur van de fruitvliegjes met 75%. Vervolgens onderzocht zij de gevolgen van het 'hokken' met jongere soortgenoten. En die gevolgen bleken niet gering: de Sod1 mutanten bleken twee keer zo lang te leven en werden fysiek gezien actiever, wanneer zij 'omgingen' met de actievere jongelingen! Toen de jonge fruitvliegjes werden ontdaan van hun vleugels, bleek dit effect te verdwijnen, hetgeen er op duidt dat de fysieke activiteit van de jongere vliegen van belang is in het verschijnsel.

Naast dat lichamelijke activiteit an sich al heilzaam is gebleken voor ouderen, begint nu dus ook duidelijker te worden dat het in de omgeving hebben van jonge actievelingen ook een gunstig effect heeft op ouderen en, niet in het geheel onbelangrijk, waarom dit zo is.
Wu, C.F & Ruen H: (2008): Social interaction-mediated lifespan extension of Drosophila Cu/Zn superoxide dismutase mutants. PNAS May 27, 2008 vol. 105 no. 21 p. 7506-7510

maandag 11 augustus 2008

Griepvaccinatie

De jaarlijkse griepvaccinatie komt er weer aan; tijd voor discussies over het waarom wel of waarom niet van het nemen van een vaccinatie. Persoonlijk laat ik met een gerust hart een (intramusculaire) vaccinatie zetten.
Helaas voor ouderen: de standaard griepvaccinaties blijken een sterk verminderd immuniserend effect te hebben. Waarom dit zo is, is niet precies duidelijk, maar een nieuwe injectietechniek biedt wellicht hoop: Het intradermaal injecteren is volgens Holland et al. (2008) significant effectiever in het verhogen van de titers van de gevaccineerde ouderen.
Aangezien de bevindingen niet helemaal sluitend zijn (er was één test waarin de intradermale toediening geen superieur resultaat boekte t.o.v. de conventionele methode) en er wordt vermeld dat er mogelijke een verstrengeling van belangen is voor enkele onderzoekers, lijkt het me dat verder onderzoek dient plaats te vinden, maar hoopvol is het wel.

Holland, D et al. (2008): Intradermal Influenza Vaccine Administered Using a New Microinjection System Produces Superior Immunogenicity in Elderly Adults: A Randomized Controlled Trial. The Journal of Infectious Diseases 2008;198 DOI: 10.1086/590434

dinsdag 15 juli 2008

Botbreuken op latere leeftijd en fysieke activiteit in de vrijetijd.

Vijfendertig jaar, meer dan 2.200 deelnemers en zeven pagina's onderzoeksverslag in PLoS: 'Leisure physical activity and the risk of fracture in men'.

Het gaat hier om een longitudinaal onderzoek naar de relatie tussen de mate van fysieke activiteit na het 50e levensjaar en het voorkomen van heupfracturen bij mannen in dezelfde leeftijdscategorie (>49 jaar).

Het idee is dat lichamelijke activiteit de botdichtheid vergroot en dat dit gegeven terug is te zien in het voorkomen van (heup)fracturen op latere leeftijd. Gedurende de jeugd bouwt de botmassa zich op, waarbij rond je 26e levensjaar de zgn. piekbotmassa wordt bereikt: de dichtheid van je botten is dan op z'n grootst en zal gedurende je verdere leven globaal gezien afnemen: de balans tussen opbouw en afbraak van botweefsel slaat steeds meer door in de richting van afbraak.

Doel en opzet van het onderzoek:
Aangezien het onduidelijk was wat de invloed van de intensiteit van lichamelijke activiteit in de vrije tijd op het voorkomen van fracturen is, zijn de onderzoekers in 1979 begonnen met het onderzoek door deelnemers uit te nodigen aan het onderzoek mee te doen. Hierbij richtten zij zich op mannen tussen 49 en 51 jaar oud in Uppsala (Zweden). Er deden 2.203 mannen mee bij aanvang van het onderzoek. Gedurende het onderzoek werden op verschillende punten (50, 60, 70, 77 en 82 jaar) een aantal zaken onderzocht zoals mate van fysieke activiteit, fysieke capaciteit, het voorkomen van fracturen, wel of niet getrouwd, gescheiden, wel of geen roker etc. (klik hier voor de gegevens aan het begin van het onderzoek) De mate van fysieke activiteit in de vrije tijd werd ingedeeld in drie categoriën: laag, middelmatig en hoog. Tijdens de analyse van de gegevens is er rekening gehouden met uiteenlopende zaken, zoals alcohol misbruik, kanker, wel of niet roken, burgerlijke staat, gebruik van pijnmedicatie etc.

Resultaten:
Aan het einde van de 35 jaar durende onderzoeksperiode was meer dan de helft van de 2.205 deelnemers overleden: 1329 hadden 'de eindstreep' niet gehaald. Tijdens het onderzoek liep 22% van de deelnemende mannen (482) een fractuur op. Zes procent (134) liep een heupfractuur op. In volgende grafiek is weergegeven hoe gedurende de onderzoeksperiode het aantal fracturen en heupfracturen is verlopen:

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

Uit het onderzoek bleek dat binnen de groep 'sedentaire' mannen de deelnemers de grootste kans (20,5%) op een heupfractuur hadden, gevolgd door de 'medium' groep (13,3%) en als laatste de groep vrijetijdszweters waarvan 8,4% een heupfractuur had opgelopen:

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

Kijkend naar de alle fracturen bij elkaar blijkt dat 43,6% van de mannen uit de 'lage activiteitsklasse' een fractuur had opgelopen, in de mediumgroep was dit 33,3% en in de hoge activiteits groep 30,2%.

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

De gegevens zijn zoals gezegd aangepast voor bepaalde zaken, waardoor de onderzoekers een tweetal modellen konden maken: Een waarbij de verandering in fysieke activiteit in de vrijetijd is doorberekend en een waarbij verschillende zaken als fysieke activiteit op het werk, roken, diabetes etc.

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

Uit de gegevens blijkt dat met name het voorkomen van heupfracturen frequenter wordt bij het afnemen van de mate van activiteit in de vrijetijd, voor fracturen in het algemeen was dit effect minder, maar nog steeds aanwezig. De onderzoekers stellen dat ongeveer een derde van de heupfracturen door een hoge mate van fysieke activiteit voorkomen had kunnen worden.

Bron:
Michaëlsson K, Olofsson H, Jensevik K, Larsson S, Mallmin H, et al. (2007) Leisure Physical Activity and the Risk of Fracture in Men. PLoS Med 4(6): e199
PLoS Medicine - www.plosmedicine.org

donderdag 26 juni 2008

heet van De Pers: Water, goed voor elk, maar niet evidence based

In De Pers van vandaag, onderaan pagina elf kunnen we het volgende vinden:





Tien glazen water per dag en dergelijke resultaten! Dat klinkt bijna te goed om waar te zijn en vraagt om een kleine speurtocht. Want waarom? En hoe? Zijn er ook negatieve gevolgen geweest? Hoe zijn die gemeten? En hoe zijn de positieve effecten gevonden?

Google is je vriend vandaag de dag, dus daar lag stap 1: zoek op: The Martins bury edmunds water. Een van de eerste hits levert Medical News today: Drinking More Water Given As Reason For Improved Health In Elderly Care Home Residents, en daarin wordt een en ander duidelijk.
Het blijkt te gaan om een 'charity run' instelling, dus op basis van liefdadigheidsgeld. En er is geen wetenschappelijk onderzoek naar de interventie gedaan (helaas, maar aangezien het om een liefdadigheidsinstelling kon ik me dit al nauwelijks voorstellen) en we moeten het dus doen met de door journalisten opgetekende citaten van bewoners en zorgverleners. En die zijn (vanzelfsprekend) lovend. Ouderen zouden weer levendig zijn, minder laxeermiddelen nodig hebben, er zouden 50% minder valincidenten voor zijn gekomen en de algemene gezondheidsbeleving zou zich sterk hebben verbeterd. De manager, zelf ex-verpleegkundige en sinds kort manager van de instelling, is er maar wat trots op!

Nu is het bekend dat ouderen meer tegen problemen aanlopen als het gaat om vochtinname. Dat kan een oorzaak in veel redenen vinden, waaronder een verminderd dorstgevoel, mobiliteitsproblemen (waardoor zowel kraan als toilet moeilijker te bereiken zijn), gebruik van diuretica etc. Ook de effecten van uitdroging zijn goed gedocumenteerd en niet gering en ik heb zelf ook ernstige gevolgen van uitdroging in de praktijk gezien. Verdikt bloed bijvoorbeeld, en daar wordt je niet erg 'helder' van. Wees er bedacht op!

Na een klein beetje zoekwerk blijkt dat de revalatie in The Martins care home is ontstaan na een actie in het kader van 'Health on Tap', een initiatief van 'Anglian Water', een Engels waterleveringsbedrijf, dochterbedrijf van Anglian Water Group, dat weer onderdeel is van Osprey, een multinationaal consortium. Binnen dit consortium vinden we bijv ook een investeringsfonds. Anglian Water Group ging in 2006 voor een slordige twee miljard pond naar Osprey.

Terug naar het deltaplan van The Martins bury edmunds:
Op de site van Anglian Water is het rapport over het onderzoek/'Health on tap' project, waaraan ook 'the Martins' meedeed, te vinden. Aan dit onderzoek hebben een aantal instellingen en afdelingen meegedaan, met inbegrip van PG en somatische afdelingen. Maar men strooit niet erg veel in het rond met cijfers en harde feiten.
Het onderzoek bestond uit twee delen, waarbij deel 1 bestond uit het interviewen van medewerkers van vier organisaties. Welke dat zijn, wordt niet vermeld. Met de gegevens uit de eerste fase ging men aan de slag met fase twee, waartoe o.a. het installeren van gekoelde watertanks en het bijhouden van vochtlijsten door de bewoners behoorden. In totaal deden er 15 bewoners van twee instellingen mee aan het bijhouden van de vochtlijsten. Aangezien de resultaten van The Martins bury edmunds zo verassend waren hebben ze er een 'case study' over gepubliceerd, die ook in het rapport te lezen is. Daarin valt te lezen dat er uiteindelijk zes personen gedurende de gehele tweede fase (zeven weken lang) het vochtdagboek hebben bijgehouden. Vreemd genoeg beschrijft de casestudy dat de hoofdzaak was gehaald: de bewoners hadden betere toegang tot watervoorziening.

Om een lang verhaal te voorkomen (ik zou nog wel even door kunnen gaan over het rapport): samengevat vind ik het hele rapport een veredelde tell sell reclame, van een bedrijf dat zojuist een potentiele poot tussen de deur van een markt met aanzienlijk groeipotentieel heeft gewrikt. Het rapport is bijzonder aantrekkelijk vormgegeven, maar mist iedere diepgang die het nodig heeft om het de body te geven die het pretendeert te hebben.

Zonder daarbij aan de noodzaak van voldoende vochtinname te willen tornen overigens, dat blijft een onverminderd belangrijk aspect van de ADL! (En ontegenzeggelijk vaak een gebied dat verbetering betreft)

Maar dit riekt naar teveel toevalligheden en levert geen enkele evidence base. De pretenties in De Pers zijn wat mij betreft bij deze een verspilling van ruimte geweest, daar had heel wat relevanter materiaal kunnen staan. If something sounds to good to be true, it usually is. Ik denk dat het zelfs onwenselijk is om dergelijke berichten op deze manier naar voren te brengen. Het krijgt de indruk mee van een sterk gefundeerde bevinding en dat is het niet. Maar goed, degelijke weergave van wetenschappelijk materiaal hoeven we niet te verwachten in de media, als we de wetenschap mogen geloven.
Dat lijkt me redelijk ironisch overigens. Ook ironisch: Het is naar mijn idee positief dat De Pers nieuws over de zorg onderaan aan de pagina drukte. Laat u niet op ideeën brengen. Ouderen hoeven niet met alle geweld acht tot tien glazen water per dag te drinken, zonder dat daar een speciale reden voor is. In ieder geval niet op basis van de gegevens van 'Anglian Water'.

dinsdag 24 juni 2008

Mevrouw heeft een plekje op haar stuit...

Alarmbellen!

Decubitus, wie heeft er niet van gehoord of ermee te maken gehad tijdens de opleiding, stage of het werk? Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat iedere student verpleegkunde een client met decubitus meemaakt. Tijd voor een kijkje in een aantal literatuur- en internetbronnen
[noot: waar in de tekst tussen haakjes wordt verwezen naar een pagina nummer (pag. x) wordt Halfens et al. 2007 bedoeld]

Het goede nieuws is dat in 2007 de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen (LPZ) uitwees dat de prevalentie van decubitus gedaald was t.o.v. het jaar daarvoor, m.u.v. de Academische Ziekenhuizen (AcZ)(Halfens et al., 2007 p. 32). Het slechte nieuws is natuurlijk dat het voorkomt. Ergens is het niet verwonderlijk, aangezien driekwart van de patienten in een AcZ een verhoogd risico loopt op decubitus en de helft van de clienten in de verpleeghuizen en thuiszorg. (pag. 30)
Er zijn een aantal interessante zaken uit het onderzoek naar decubitus te halen. (met wat extra aandacht voor de thuiszorg van mijn kant)
Ten eerste: decubitus graad 1 wordt verondersteld slecht gediagnosticeerd te worden,(pag. 31) hetgeen de prevalentie van graad 2 en hoger een meer betrouwbaar gegeven maken. In een onderzoek door Schoonhoven et al. (2002) kwam men tot de conclusie dat het gebruik van de drie standaard methoden (Braden, Norton, Waterlow) geen voordeel opleverde bij het voorkomen van tweede graads decubitus t.o.v. een controle groep. Nieuw onderzoek moet betere methoden opleveren. En dat is dus hard nodig. Een gedegen behandeling van 1e graads decubitus lijkt me pijnlozer, goedkoper en makkelijker voor alle partijen. Daarbij zijn de kosten voor decubitus niet mals.(in 2003 is er zo'n 90 miljoen euro uitgegeven aan de behandeling van decubitus)
Een ander aspect dat het onderzoek heeft gevonden is het feit dat vooral het behoren tot de risicogroep (score van 20 of lager op de bradenschaal) een bepalende factor is in het wel of niet ontwikkelen van decubitus, niet het soort instelling waar men zorg ontvangt. Een voor de thuiszorg treffend iets vind ik het verschil in prevalentie tussen mannen en vrouwen. Die van de mannen is bijna twee maal zo hoog, en dat blijft het ook na correctie voor eerste graads decubitus. Bij de andere soorten instellingen is van een dergelijk verschil geen sprake: (TZ=Thuiszorg)

(klik op de afbeelding voor een grote versie)
(afbeelding: Halfens et al. pag. 32)

Andere voor de thuiszorg kenmerkende zaken zijn dat met name een aandoening van het zenuwstelsel (excl. CVA's) een risicofactor is (pag. 34)en het gegeven dat met name in de thuiszorg vaker de meer ernstige vormen (graad 3 en 4) voorkomen (pag. 35). Ook is het grootste deel van de langdurige wonden te vinden in de thuiszorg (20% van de wonden die langer dan een jaar duren. zie pag. 36).
Hierover wordt verder niet uitgewijd, maar ik ben wel benieuwd naar mogelijke verklaringen voor deze bevindingen.

Defloor et al. (2005) leveren voor de thuiszorg positief bewijs naar mijn idee. Hun bevindingen wijzen erop dat het toepassen van een drukverlagende (viscoelastische) matras inc. wisselligging om de vier uur een significante reductie van het aantal decubitusgevallen tot gevolg had, in vergelijking met standaard instituutmatrassen en meer frequente wisselligging (2 en 3 uur). In de thuiszorg, waarbij reistijd een beperkende factor kan zijn, is dit natuurlijk erg praktisch: minder tijd, meer profijt.

In Amerika (waar anders) zijn al gevallen geweest waarbij instellingen aangeklaagd zijn voor nalatigheid m.b.t. decubitus. (Levine et al., 2008) Zij gebruiken daarbij dan nogal eens een camera, om de wonden te fotograferen.
Andersom kan het natuurlijk ook. Ik ben al een tijd benieuwd naar de mogelijkheden van het gebruik van digitale camera's, als het gaat om communicatie naar behandelaren. Digitale camera's worden steeds handzamer en beter en het versturen van een email is vlot gedaan. Ik kan me ook voorstellen dat het in de toekomst mogelijk is om wonden dan met behulp van een computer te analyseren. Tot die tijd is het onderzoek gedaan naar de effectiviteit van 'photoassessments' ook veel belovend. (bijv: Houghton et al., 2003) Rajendran et al. (2006) geven aan dat het gebruik van digitale beeldtechniek het herkennen van eerste graads decubitus zelfs kan verbeteren:
"Preliminary results clearly indicate that the enhanced images exhibit higher contrast and make the pressure ulcer site more conspicuous to the examiner. The experiments show promising results even for subjects with black and dark brown skin colors."
Het LEVV biedt overigens hulp in de vorm van hun 'Decubitushandwijzer voor verzorgenden' en andere fraaie publicaties, zoals een hele serie illustraties over verschillende houdingen, een clientenfolder en een overzicht van de verschillende gradaties van decubitus. Kijk voor (nog) meer informatie op hun website.



Literatuur:
Defloor T, De Bacquer D, Grypdonck MH. (2005): The effect of various combinations of turning and pressure reducing devices on the incidence of pressure ulcers. International journal of nursing studies 2005 Jan pag.37-46

Halfens RJG, Meijers JJM, Neyens JCL, Offermans MPW (2007): Rapportage resultaten Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen. Maastricht: Datawyse/Universitaire Pers

Houghton PE, Kincaid CB, Campbell KE, Woodbury MG, Keast DH. (2003): Photographic assessment of the appearance of chronic pressure and leg ulcers. Advances in skin & wound care 2003 Mar-Apr;16(2):91-6

Levine JM, Savino F, Peterson M, Wolf CR. (2008): Risk management for pressure ulcers: when the family shows up with a camera. Journal of the American Medical Directors Association. 2008 Jun nr.9 pag. 360-363

Rajendran PJ, Leachtenauer J, Kell S, Turner B, Newcomer C, Lyder C, Alwan M. (2006): Improving the detection of stage I pressure ulcers by enhancing digital color images. Conference proceedings : Annual International Conference of the IEEE Engineering in Medicine and Biology Society. IEEE Engineering in Medicine and Biology Society. Conference 2006;1:5206-5209

Schoonhoven L, Haalboom J, Bousema M, Algra A, Grobbee D, Grypdonck M, et al.(2002) Prospective cohort study of routine use of risk assessment scales for prediction of pressure ulcers. BMJ, 2002; 325(7368): 797-800."

woensdag 18 juni 2008

Alzheimer in een ander licht

Wetenschappers hebben mogelijk een manier gevonden om de ziekte van Alzheimer 'in vivo' (d.w.z. terwijl je nog leeft) te diagnosticeren. Want, alhoewel het duidelijk is dat het aantal mensen met de ziekte van Alzheimer flink zal stijgen, het vaststellen van de ziekte zelf is tot op heden in feite pas na de dood met zekerheid te doen: de vorming van zgn. 'amyloid plaques' en neurofibrillaire 'knopen' toont de ziekte van Alzheimer aan. Beiden zijn gevolg van een stoornis in de manier waarop eiwitten in de hersenen samen 'klitten' en daardoor belangrijke processen verstoren. De plaques (die alleen onder de microscoop zichtbaar zijn en ook wel 'seniele plaques' worden genoemd) nemen toe met het vorderden van de ziekte.

(klik op de afbeeldingen voor een grote versie)
Op de afbeelding zijn de seniele plaques met zilver aangegeven:
afbeelding van wiki

neurofibrillaireknopen:


En hier komen bovengenoemde wetenschappers in beeld. Beter gezegd: zij brengen in beeld, want ze hebben ontdekt dat deze plaques een te herkennen invloed uitoefenen op infrarood licht. Het volledig onschadelijke licht wordt na door de hersenen te zijn gestuurd opgevangen en verwerkt, waarbij de onderzoekers duidelijke verschillen konden aantonen tussen mensen met en mensen zonder de plaques (en dus Alzheimer) op basis van de verstrooiing van het licht.

Wonderlijk.

Verder onderzoek naar het gebruik van de methode is nodig (en gaande), maar dit is een prachtige stap in de goede richting!
Hanlon, E.B., Perelman, L.T., Vitkin, E.I., Greco, F.A., McKee, A.C., Kowall, N.W. (2008): Scattering differentiates Alzheimer disease in vitro. Optics Letters, 33(6), 624. DOI: 10.1364/OL.33.000624

zaterdag 7 juni 2008

Fusies: niet slecht voor de kwaliteit van zorg

Ik ben al tijden benieuwd naar de uitkomst van een dergelijk onderzoek, maar had nog niet de moeite genomen om er naar op zoek te gaan: wat doen fusies nu met de kwaliteit van zorg? Het blijkt dat de leden van Tweede Kamer met eenzelfde soort vraag zaten, aangezien ze de RVZ om advies gevraagd hebben omtrent de fusies in de zorgsector.

Op het moment bevind ik me voor de tweede keer in een fuserende organisatie en het is een heidens karwei, dat fuseren. Maar volgens de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg kunnen we weer rustig ademhalen:
"De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) heeft geen aanwijzingen gevonden dat fusies in de zorg schadelijk zijn voor de bereikbaarheid en kwaliteit van de zorg. Dit in tegenstelling tot de signalen van de Tweede Kamer."
en even verderop:

"De kwaliteit van de zorg is soms juist gediend met schaalvergroting."
De heisa die in de Tweede Kamer is ontstaan rondom de fusies blijkt dus ongegrond, evenals het idee om een fusieverbod mogelijk te maken. De kartelwaakhond Nma en de Nza zijn in staat om toe te zien op de fusies, waarbij de positie van de Nza versterkt dient te worden.

Schaalvergroting blijkt ook de middelen te scheppen die kleinschaliger werken mogelijk maken, aldus de RVZ. Dat klinkt bijna paradoxaal, maar ik kan me er wel wat bij indenken. Ik vraag me wel eens af wat dergelijke constructies doen met de afstand tussen 'het management' en de zorgverleners 'op de werkvloer'.

Lees het advies 'Schaal en Zorg', of een van de andere publicaties van het RVZ over dit onderwerp

UPDATE! Lex, oprichter van het blog http://thuiszorg-blog.blogspot.com plaatst een goed uitgewerkte kanttekening bij het rapport van de RVZ. Hij legt de vinger op een aantal zere plekken in het rapport, waaronder de ontoereikendheid van de inhoud van het rapport met betrekking tot de situatie op de thuiszorgmarkt.

dinsdag 3 juni 2008

Mantelzorgbelasting: Meten is Weten?

Sinds Hattinga-Verschure het begrip mantelzorg enkele decennia geleden lanceerde, is er het nodige gebeurd. Het CIZ houdt tegenwoordig zoveel mogelijk rekening met de (ongebruikelijke) zorg die door mantelzorgers kan worden geleverd bij het stellen van een indicatie. Dit heeft voordelen, zoals kostenbesparing en het verlenen van zorg door goede bekenden. Maar ook nadelen; een groot deel van de mantelzorgers blijkt overbelast, of is daar hard naar toe op weg.

Maar hoe weet je nu of een mantelzorger overbelast is of dreigt te raken? Zoals ik in de bouwwereld veel heb gehoord: 'meten is weten'. Helaas is er geen rolbandmaat die we langs de mantelzorger kunnen houden, met daarop de aanduiding: prima, behoorlijk belast en overbelast.

Gelukkig hebben we knappe koppen op de Universiteit van Twente rondlopen die ons voorzien van een overzicht van de verschillende meetmethoden:

Kragt, I. (2007): Overbelasting van mantelzorger; op zoek naar het beste meetinstrument. Proefschrift Algemene Gezondheidswetenschappen.


In haar scriptie beschrijft Kragt welke onderdelen gemeten kunnen en dienen te worden binnen het domein van de mantelzorg en welke meetinstrumenten op het moment voor handen zijn, zoals de op internet veel geziene CSI (Caregiver Strain Index). In haar scripte blijkt dit echter een model te zijn met een aantal tekortkomingen. Het is echter wel een zeer snelle en makkelijk toepasbare manier. In de bijlagen van haar scriptie zijn de besproken scorelijsten van de verschillende meetinstrumenten opgenomen; erg handig.

De Erasmus Universiteit deed in 2005 onderzoek naar het gebruik van respijtzorg. (Respijtzorg is zorg die mantelzorgers kunnen ontvangen om de belasting t.g.v. het verlenen van mantelzorg te verlagen). Zij concludeerden dat de mensen die de respijtzorg het hardst nodig hebben deze over het algemeen ook krijgen, maar dat er ruimte is voor verbetering, bijvoorbeeld in het herkennen van mensen die behoefte hebben aan zorg, of onderzoek naar de kosteneffectiviteit van respijtzorg.

Exel, N.J.A., van, Koopmanschap, M.A., Brouwer W.B.F. (2005): Respijtzorg; een verkenning van behoefte en gebruik onder 273 mantelzorgers. Rotterdam: Institute for Medical Technology Assessment.

woensdag 28 mei 2008

Steun de steunkous!


Steunkousen kom je nogal eens tegen in de (thuis)zorg. Een paar honderdduizend mensen in Nederland draagt ze, waarvan het merendeel vrouwen. Soms zijn het redelijk los zittende steunkousen (waarvan ik me dan soms afvraag welk nut ze nog dienen) en soms zijn het beenhoge 'vlakbrei kousen', die je het zweet op de rug kunnen bezorgen. Maar dat hoeft niet! Ikzelf ben nogal een fan van aan- en uittrekhulpmiddelen, die mijns inziens een promotie verdienen. Dus ik besloot eens wat rond te neuzen op internet. En dat was vrij simpel! De stichting Fonds voor Arbeidsmarktbeleid en Opleidingen Thuiszorg (FAOT) stelt een behoorlijk overzicht aan producten beschikbaar op de site http://www.faot.nl/.

Er is een protocol (2005) beschikbaar, evenals een aantal instructiekaarten en een onderzoeksverslag over de lichamelijke belasting bij het aan- en uittrekken van steunkousen.

Om het (team)management te overtuigen van je goede bedoelingen is er zelfs een implementatieplan beschikbaar!

Het is toch altijd weer frappant om te zien hoeveel theorie er achter schijnbaar zeer normale hulpmiddelen als steunkousen schuilgaat. Steunkousen kunnen zeer praktische hulpmiddelen zijn, mits ze goed gebruikt worden. Als (student) helpende, verzorgende of verpleegkundige kan je het je daarbij (waarschijnlijk) een stuk makkelijker maken. Dus: aan die handschoenen (werkt echt goed!), haal die 'blauwe nylon zakken' uit het stof en help de zorgvrager naar meer zelfstandigheid met een 'aantrekrek'!

p.s. ga eens na hoeveel van de in de FAOT richtlijnen genoemde regels jezelf naleeft. En op je afdeling/binnen de instelling? Liggen er kansen voor kwaliteitsverbetering?

zaterdag 17 mei 2008

Fixeer de fixatie...

In de Nederlandse gezondheidszorg is de laatste tijd het nodige gaande geweest rondom de de wet Bijzondere Opname Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ). Op 25 mei 2007 is het rapport van de derde evaluatie van de wet gepubliceerd en daaruit bleek dat de wet ondanks aanpassingen naar aanleiding van eerdere evaluaties niet de gewenste effecten had. Op 12 februari 2008 heeft de Eerste Kamer ingestemd met een wijziging in de wet. Het gaat hierbij o.a. om de mogelijkheid tot gedwongen opname. Maar daar wilde ik het niet over hebben.

Over sterftegevallen als gevolg van fixatie, dat ook onder de wet BOPZ valt, wel. Het AD brengt op 14 mei jl. een artikel uit over twee sterfgevallen die toe te schrijven zijn aan het (foutief?) gebruik van fixatiemiddelen. Na een operatie zijn de slachtoffers gefixeerd, met goedkeuring van de familie. Helaas werd hen dit beiden kort na elkaar noodlottig.

Het LEVV biedt in op hun website de SOTA studie aan. Hierin is in hoofdstuk 4 een literatuurstudie te vinden naar fixatuemiddelen, waaruit blijkt dat er volgens de SOTA onderzoekers geen evidence base bestaat voor fixatiemiddelen, als het gaat om vergroting van de veiligheid van de patiënten.

In het Tijdschrift voor verpleeghuisgeneeskunde kunnen we online over een beschrijvend onderzoek lezen in 'Vrijheidsbeperkende interventies; een inventarisatie onder verzorgenden'. Hierin wordt beschreven hoevaak verzorgenden in verpleeg- en verzorgingshuizen in aanraking komen met vrijheidsbeperkende middelen (waaronder fixatie valt), welke interventies zij als vrijheidsbeperkend zien, wat zij als redenen hiertoe zien en of ze bekend zijn met de BOPZ. Er zijn hierbij siginificante verschillen tussen de verpleeg- en verzorgingshuisverzorgenden gevonden, waaronder het toepassen van vrijheidsbeperking. Niet alle uitkomsten zijn geruststellend...

Dat middelen en maatregelen niet altijd nodig zijn valt te lezen in: Het Non-fixatiebeleid, Zorggroep Almere, Polderburen. Bij de zorggroep heeft een zes maanden durend onderzoek naar de gevolgen van een non-fixatie beleid op een PG afdeling plaatsgevonden;

  • Bewoners vielen vaker dan uit de literatuur verwacht kan worden ( 135x per half jaar tegenover gemiddeld 100 keer volgens de literatuur).
  • De frequente vallers liepen daarbij geen ernstig letsel op
  • De bewoners die de ander valincidenten veroorzaakten vielen slechts een enkele keer
  • Ernstig letsel kwam veel minder vaak voor dan op basis van de literatuur verwacht mag worden: namelijk 1 geval op 135 valincidenten i.p.v. 3-12 botbreuken (volgens de cijfers uit de literatuur bij 135 valincidenten).
  • De gebruikersgroepen zijn erg tevreden over het non-fixatie beleid.
bronnen:

http://www.minvws.nl/dossiers/bopz/default.asp

http://www.minvws.nl/images/ra-bopz_tcm19-147653.pdf

Geenen van R (2008): Vastgebonden patiënten dood. Algemeen Dagblad 14 mei 2007 (http://www.ad.nl/binnenland/2291710/Vastgebonden_patinten_dood.html)

Jongerden, I., Heijnen-Kaales, Y. (2003) State-of-the-Art Studie Verpleging en Verzorging. LEVV, Utrecht (http://www.levv.nl/index.php?id=488)

Het Non-fixatiebeleid, Zorggroep Almere, Polderburen. Zorgvoorbeter.nl 25 maart 2006 (http://www.zorgvoorbeter.nl/onderwerpen/over/valpreventie/voorbeelden/het-non-fixatiebeleid-zorggroep-almere-polderburen/)

Veer de AJE, Francke AL, Kruif de A: (2007): 'Vrijheidsbeperkende interventies; een inventarisatie onder verzorgenden. Tijdschrift voor verpleeghuisgeneeskunde vol 32. nr. 1 2007 (http://www.nivel.nl/pdf/pvv256.artikelverpleeghuisgeneeskunde.pdf)

woensdag 14 mei 2008

Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen 2007

In 1998 begon de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen als een onderzoek naar de prevalentie van decubitus. In 2007 vond dus de 10e meting plaats. Bestond de onderzochte populatie in 1998 nog uit 86 instellingen, in 2007 ging het om 570 instellingen. Ook ten opzichte van 2006 is er een flinke groei te zien. In de uiteindelijke berekening van de cijfers gaat het echter om 366 instellingen. Dit is gevolg van een selectie op basis van bijvoorbeeld het niet halen van de gestelde deadline, of instellingen met minder dan 30 clienten. De onderzochte instellingen zijn ingedeeld in drie groepen: acute zorg (academisch en algemeen ziekenhuis), chronische zorg (verpleeg- en verzorgingshuis) en thuiszorg. Voor de acute en de chronische zorg werd de meting op 1 dag (3 april 2007) uitgevoerd, voor de thuiszorg ging het om 4 dagen van steekproeven. Ook de val- en fixatiecijfers zijn op andere wijze verkregen. De uiteindelijke meting kent door deze selectie weliswaar een kleinere populatie, maar een laagste respons van 97,2%, hetgeen we als redelijk hoog kunnen beschouwen, zeker als we Braam (2007) mogen geloven. In het rapport is uitgebreid uitgelegd welk probleem wordt gemeten, met welke methoden en hoe de cijfers zijn verdeeld over de populatie. Elk van de 6 onderzoeksgebieden Decubitus, Incontinentie, Ondervoeding, Vallen en fixatie, smetten en decubitus en ondervoeding bij kinderen is in een apart hoofdstuk beschreven. In de hoofdstukken is ook aandacht voor het evidence based behandelen van de beschreven zorgproblemen.
Al met een behoorlijk inzichtelijke publicatie, die zich wat mij betreft ook kenmerkt door een goede leesbaarheid, zonder al te veel moeilijk taalgebruik.

Literatuur:
Halfens RJG, Meijers JJM, Neyens JCL, Offermans MPW (2007): Rapportage resultaten Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen; Datawyse/Universitaire Pers Maastricht

Braam GPA (2007): Mensen en hun problemen in onderzoek: De zwakkeren en ouderen blijven onderbelicht: TIJDSCHRIFT VOOR GERONTOLOGIE EN GERIATRIE

zondag 11 mei 2008

Anti-psychotica en longontsteking

Recentelijk onderzoek, uitgevoerd in het UMC Utrecht onder bijna 23.000 patiënten, heeft een verband aangetoond tussen het voorkomen van longontsteking en het gebruik van anti-psychotica door ouderen. Een verhoging van de kans op longontsteking met 60% is het slechte bericht dat de onderzoekers ons brengen. Het risico blijkt het grootst te zijn in de eerste week van het gebruik van de anti-psychotica, waarbij a-typische anti-psychotica (de groep waartoe o.a. clozapine, risperidon en olanzapine behoren) het grootste risico op longontsteking vertoonden.

Referentie:

Wilma Knol, Rob J. van Marum, Paul A. F. Jansen, Patrick C., Alfred F. A. M. Schobben, Antoine C. G. Egberts(2008): Antipsychotic Drug Use and Risk of Pneumonia in Elderly People ; Journal of the American Geriatrics Society 56 (4) , 661–666
(link met abstract)

zondag 4 mei 2008

Levensbeëindiging, nieuwe cijfers

Las u gisteren nog over dalende cijfers, nu blijkt uit onderzoek over 2007 dat het aantal meldingen van levensbeëindigende handelingen door artsen in dat jaar (flink) gestegen is ten opzichte van het jaar ervoor; 2120 in 2007, tegenover 1923 in 2006. Dat is een stijging van 10%. Het gaat hierbij om euthanasie, hulp bij zelfdoding of een combinatie daarvan.
De stijging is niet uniform verdeeld over de vijf regio's waarin Nederland is verdeeld en vnl. huisartsen hebben meer melding gemaakt, zo lezen we in het Jaarverslag 2007 van de Regionale Toetsingcommissies Euthanasie, dat u hier in z'n geheel kunt lezen.

Een aanrader.


zaterdag 3 mei 2008

Palliatieve sedatie; een vluchtroute?

Euthanasie is nog steeds een hot item. Onderzoek heeft aangetoond dat het minder voor is gaan komen, terwijl het toepassen van palliatieve sedatie steeds meer voorkomt.
TVV online en nursing publiceerden er een tijdje geleden een artikel over, waarin zij zich mede baseerden op een onderzoek door Judith Rietjens et al. Dit onderzoek is hier te vinden:

Judith Rietjens, Johannes van Delden, Bregje Onwuteaka-Philipsen, Hilde Buiting, Paul van der Maas and Agnes van der Heide: Continuous deep sedation for patients nearing death in the Netherlands: descriptive study

Mocht het daadwerkelijk het geval zijn dat palliatieve sedatie een vervanging gaat vormen voor euthanasie, dan lijkt me dat een zeer kwalijke zaak. De politiek zou hier op moeten reageren, al ben ik bang dat er partijen tussen zitten die zich juist verheugden bij de veranderende cijfers over euthanasie en palliatieve sedatie.

Meer weten over euthanasie en palliatieve sedatie? Kijk hier dan ook eens:

Gillick MR. Terminal sedation: an acceptable exit strategy? Ann Intern Med 2004;141:236-7

Quill TE, Lee BC, Nunn S. Palliative treatments of last resort: choosing the least harmful alternative. University of Pennsylvania Center for Bioethics Assisted Suicide Consensus Panel. Ann Intern Med 2000;132:488-93.

Rousseau P. Existential suffering and palliative sedation: a brief commentary with a proposal for clinical guidelines. Am J Hosp Palliat Care 2001;18:151-3.

Van Delden JJ. Terminal sedation: source of a restless ethical debate. J Med Ethics 2007;33:187-8

Van der Heide A, Onwuteaka-Philipsen BD, Rurup ML, Buiting HM, van Delden JJ, Hanssen-de Wolf JE, et al. End-of-life practices in the Netherlands under the Euthanasia Act. N Engl J Med 2007;356:1957-65.