Posts tonen met het label Pathologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pathologie. Alle posts tonen

donderdag 28 augustus 2008

Het Charles-Bonnet syndroom

Dat je nooit te oud bent om iemand iets te leren bewees een hoogbejaarde dame (overigens nog goed bij de pinken!) op mijn stageplek afgelopen zomervakantie. Ze overhandigde me een artikel uit de TC Tubantia van 28 juli jl. genaamd 'Zien wat er niet is'. Zoals de titel van dit blogbericht laat raden ging het over het Charles Bonnet syndroom. Aanleiding was het onlangs daarover verschenen boek 'Neuroplasticiteit' van dr. Jo van der Meulen, dr. M. Derix en prof. dr. C. Lafosse.

Eerstgenoemde zet in het interview voor de Tubantia een aantal zaken uiteen over het syndroom dat sinds 1989 aan een opmars lijkt te zijn begonnen: in dat jaar werden er 46 gevallen geregistreerd in Nederland. Tegenwoordig wordt de diagnose bij één op de zeven slechtziende ouderen gesteld.

Veel slechtziende ouderen hebben dus last van het syndroom dat zich kenmerkt door hallucinaties die ontstaan ten gevolge van hetgeen hun hersenen doen met de onvolledige visuele informatie die via de ogen binnenkomt. Tenminste, dat is de theorie die bovengenoemde auteurs in het boek Neuroplasticiteit uiteenzetten, want de oorzaak van het probleem is nog niet erg duidelijk. De onvolledige informatie wordt volgens hen door de hersenen verwerkt tot een abnormaal beeld, waarbij wielrenners op het plafond kunnen fietsen en voegen van tegels wandelende takken kunnen vormen. Een belangrijk aspect van het syndroom is dat de patiënten zich bewust zijn van het feit dat ze hallucineren. Het gaat hier dus niet om wanen, waarbij iemand er van overtuigd is dat hetgeen is waargenomen ook daadwerkelijk waar is.

De meeste patiënten kunnen goed omgaan met de gevolgen van het syndroom, maar één op de tien mensen met het syndroom vindt de hallucinaties uitermate storend en lijdt eronder. Therapie kan uitkomst bieden, door de patiënt bijvoorbeeld te overtuigen van het feit dat het niet gaat om een psychische stoornis (met vaak bijbehorende schaamte) of door het aanleren van methoden om de hallucinaties te laten verdwijnen. Hierbij kan het ontdekken van de oorzaak van de hallucinaties, zoals bijvoorbeeld TV kijken of het lezen van een boek belangrijk zijn. Het staken van de activiteit kan de hallucinaties doen stoppen.

Zoals ik al schreef: nooit te oud om te leren.

maandag 11 augustus 2008

Griepvaccinatie

De jaarlijkse griepvaccinatie komt er weer aan; tijd voor discussies over het waarom wel of waarom niet van het nemen van een vaccinatie. Persoonlijk laat ik met een gerust hart een (intramusculaire) vaccinatie zetten.
Helaas voor ouderen: de standaard griepvaccinaties blijken een sterk verminderd immuniserend effect te hebben. Waarom dit zo is, is niet precies duidelijk, maar een nieuwe injectietechniek biedt wellicht hoop: Het intradermaal injecteren is volgens Holland et al. (2008) significant effectiever in het verhogen van de titers van de gevaccineerde ouderen.
Aangezien de bevindingen niet helemaal sluitend zijn (er was één test waarin de intradermale toediening geen superieur resultaat boekte t.o.v. de conventionele methode) en er wordt vermeld dat er mogelijke een verstrengeling van belangen is voor enkele onderzoekers, lijkt het me dat verder onderzoek dient plaats te vinden, maar hoopvol is het wel.

Holland, D et al. (2008): Intradermal Influenza Vaccine Administered Using a New Microinjection System Produces Superior Immunogenicity in Elderly Adults: A Randomized Controlled Trial. The Journal of Infectious Diseases 2008;198 DOI: 10.1086/590434

dinsdag 15 juli 2008

Botbreuken op latere leeftijd en fysieke activiteit in de vrijetijd.

Vijfendertig jaar, meer dan 2.200 deelnemers en zeven pagina's onderzoeksverslag in PLoS: 'Leisure physical activity and the risk of fracture in men'.

Het gaat hier om een longitudinaal onderzoek naar de relatie tussen de mate van fysieke activiteit na het 50e levensjaar en het voorkomen van heupfracturen bij mannen in dezelfde leeftijdscategorie (>49 jaar).

Het idee is dat lichamelijke activiteit de botdichtheid vergroot en dat dit gegeven terug is te zien in het voorkomen van (heup)fracturen op latere leeftijd. Gedurende de jeugd bouwt de botmassa zich op, waarbij rond je 26e levensjaar de zgn. piekbotmassa wordt bereikt: de dichtheid van je botten is dan op z'n grootst en zal gedurende je verdere leven globaal gezien afnemen: de balans tussen opbouw en afbraak van botweefsel slaat steeds meer door in de richting van afbraak.

Doel en opzet van het onderzoek:
Aangezien het onduidelijk was wat de invloed van de intensiteit van lichamelijke activiteit in de vrije tijd op het voorkomen van fracturen is, zijn de onderzoekers in 1979 begonnen met het onderzoek door deelnemers uit te nodigen aan het onderzoek mee te doen. Hierbij richtten zij zich op mannen tussen 49 en 51 jaar oud in Uppsala (Zweden). Er deden 2.203 mannen mee bij aanvang van het onderzoek. Gedurende het onderzoek werden op verschillende punten (50, 60, 70, 77 en 82 jaar) een aantal zaken onderzocht zoals mate van fysieke activiteit, fysieke capaciteit, het voorkomen van fracturen, wel of niet getrouwd, gescheiden, wel of geen roker etc. (klik hier voor de gegevens aan het begin van het onderzoek) De mate van fysieke activiteit in de vrije tijd werd ingedeeld in drie categoriën: laag, middelmatig en hoog. Tijdens de analyse van de gegevens is er rekening gehouden met uiteenlopende zaken, zoals alcohol misbruik, kanker, wel of niet roken, burgerlijke staat, gebruik van pijnmedicatie etc.

Resultaten:
Aan het einde van de 35 jaar durende onderzoeksperiode was meer dan de helft van de 2.205 deelnemers overleden: 1329 hadden 'de eindstreep' niet gehaald. Tijdens het onderzoek liep 22% van de deelnemende mannen (482) een fractuur op. Zes procent (134) liep een heupfractuur op. In volgende grafiek is weergegeven hoe gedurende de onderzoeksperiode het aantal fracturen en heupfracturen is verlopen:

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

Uit het onderzoek bleek dat binnen de groep 'sedentaire' mannen de deelnemers de grootste kans (20,5%) op een heupfractuur hadden, gevolgd door de 'medium' groep (13,3%) en als laatste de groep vrijetijdszweters waarvan 8,4% een heupfractuur had opgelopen:

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

Kijkend naar de alle fracturen bij elkaar blijkt dat 43,6% van de mannen uit de 'lage activiteitsklasse' een fractuur had opgelopen, in de mediumgroep was dit 33,3% en in de hoge activiteits groep 30,2%.

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

De gegevens zijn zoals gezegd aangepast voor bepaalde zaken, waardoor de onderzoekers een tweetal modellen konden maken: Een waarbij de verandering in fysieke activiteit in de vrijetijd is doorberekend en een waarbij verschillende zaken als fysieke activiteit op het werk, roken, diabetes etc.

Klik op de afbeelding voor de grote versie)

Uit de gegevens blijkt dat met name het voorkomen van heupfracturen frequenter wordt bij het afnemen van de mate van activiteit in de vrijetijd, voor fracturen in het algemeen was dit effect minder, maar nog steeds aanwezig. De onderzoekers stellen dat ongeveer een derde van de heupfracturen door een hoge mate van fysieke activiteit voorkomen had kunnen worden.

Bron:
Michaëlsson K, Olofsson H, Jensevik K, Larsson S, Mallmin H, et al. (2007) Leisure Physical Activity and the Risk of Fracture in Men. PLoS Med 4(6): e199
PLoS Medicine - www.plosmedicine.org

donderdag 3 juli 2008

Multidisciplinaire Mondzorg

In 2007 heeft de NVVA, de beroepsvereniging van verpleeghuisartsen en sociaal geriaters, de richtlijn 'Mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen' uitgebracht. De richtlijn bestaat uit een aantal verschillende onderdelen. Om de hoofdpublicatie te openen: klik op de afbeelding aan de linkerzijde.

Een van de interessante dingen aan deze richtlijn is dat ze in beginsel al multidisciplinair is, maar dat er daarnaast extra aandacht is voor de rol van verzorgenden en verpleegkundigen in de vorm van een aparte brochure:

(Klik op de afbeelding om de brochure te openen)
In de publicaties, die bedoeld zijn voor de mondzorg van verpleeghuisbewoners, is onder andere aandacht voor de oorzaken en gevolgen van slechte mondzorg, mondzorg op cliëntniveau, en de samenwerking tussen de verschillende discplines. In de richtlijn is aan het einde van ieder hoofdstuk een overzicht van conclusies, inclusief de aanbevelingen en de kwaliteit van het wetenschappelijke bewijs.
De overzichtskaart geeft een overzicht van aandachtspunten voor mondzorg van zowel 'dentate' als 'adentate' cliënten.

In de bijlagen zijn een begrippenlijst, allerhande (anamnese)formulieren en een samenvatting van de proefimplementatie 'mondzorg bij zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen' (uitgevoerd bij tien verpleeghuizen) te vinden

zie ook:
Handboek Integrale Mondzorg (Sigra 2006)

Mondzorg bij ouderen. Een verslag dat we als VGG projectgroep hebben gemaakt

dinsdag 24 juni 2008

Mevrouw heeft een plekje op haar stuit...

Alarmbellen!

Decubitus, wie heeft er niet van gehoord of ermee te maken gehad tijdens de opleiding, stage of het werk? Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat iedere student verpleegkunde een client met decubitus meemaakt. Tijd voor een kijkje in een aantal literatuur- en internetbronnen
[noot: waar in de tekst tussen haakjes wordt verwezen naar een pagina nummer (pag. x) wordt Halfens et al. 2007 bedoeld]

Het goede nieuws is dat in 2007 de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen (LPZ) uitwees dat de prevalentie van decubitus gedaald was t.o.v. het jaar daarvoor, m.u.v. de Academische Ziekenhuizen (AcZ)(Halfens et al., 2007 p. 32). Het slechte nieuws is natuurlijk dat het voorkomt. Ergens is het niet verwonderlijk, aangezien driekwart van de patienten in een AcZ een verhoogd risico loopt op decubitus en de helft van de clienten in de verpleeghuizen en thuiszorg. (pag. 30)
Er zijn een aantal interessante zaken uit het onderzoek naar decubitus te halen. (met wat extra aandacht voor de thuiszorg van mijn kant)
Ten eerste: decubitus graad 1 wordt verondersteld slecht gediagnosticeerd te worden,(pag. 31) hetgeen de prevalentie van graad 2 en hoger een meer betrouwbaar gegeven maken. In een onderzoek door Schoonhoven et al. (2002) kwam men tot de conclusie dat het gebruik van de drie standaard methoden (Braden, Norton, Waterlow) geen voordeel opleverde bij het voorkomen van tweede graads decubitus t.o.v. een controle groep. Nieuw onderzoek moet betere methoden opleveren. En dat is dus hard nodig. Een gedegen behandeling van 1e graads decubitus lijkt me pijnlozer, goedkoper en makkelijker voor alle partijen. Daarbij zijn de kosten voor decubitus niet mals.(in 2003 is er zo'n 90 miljoen euro uitgegeven aan de behandeling van decubitus)
Een ander aspect dat het onderzoek heeft gevonden is het feit dat vooral het behoren tot de risicogroep (score van 20 of lager op de bradenschaal) een bepalende factor is in het wel of niet ontwikkelen van decubitus, niet het soort instelling waar men zorg ontvangt. Een voor de thuiszorg treffend iets vind ik het verschil in prevalentie tussen mannen en vrouwen. Die van de mannen is bijna twee maal zo hoog, en dat blijft het ook na correctie voor eerste graads decubitus. Bij de andere soorten instellingen is van een dergelijk verschil geen sprake: (TZ=Thuiszorg)

(klik op de afbeelding voor een grote versie)
(afbeelding: Halfens et al. pag. 32)

Andere voor de thuiszorg kenmerkende zaken zijn dat met name een aandoening van het zenuwstelsel (excl. CVA's) een risicofactor is (pag. 34)en het gegeven dat met name in de thuiszorg vaker de meer ernstige vormen (graad 3 en 4) voorkomen (pag. 35). Ook is het grootste deel van de langdurige wonden te vinden in de thuiszorg (20% van de wonden die langer dan een jaar duren. zie pag. 36).
Hierover wordt verder niet uitgewijd, maar ik ben wel benieuwd naar mogelijke verklaringen voor deze bevindingen.

Defloor et al. (2005) leveren voor de thuiszorg positief bewijs naar mijn idee. Hun bevindingen wijzen erop dat het toepassen van een drukverlagende (viscoelastische) matras inc. wisselligging om de vier uur een significante reductie van het aantal decubitusgevallen tot gevolg had, in vergelijking met standaard instituutmatrassen en meer frequente wisselligging (2 en 3 uur). In de thuiszorg, waarbij reistijd een beperkende factor kan zijn, is dit natuurlijk erg praktisch: minder tijd, meer profijt.

In Amerika (waar anders) zijn al gevallen geweest waarbij instellingen aangeklaagd zijn voor nalatigheid m.b.t. decubitus. (Levine et al., 2008) Zij gebruiken daarbij dan nogal eens een camera, om de wonden te fotograferen.
Andersom kan het natuurlijk ook. Ik ben al een tijd benieuwd naar de mogelijkheden van het gebruik van digitale camera's, als het gaat om communicatie naar behandelaren. Digitale camera's worden steeds handzamer en beter en het versturen van een email is vlot gedaan. Ik kan me ook voorstellen dat het in de toekomst mogelijk is om wonden dan met behulp van een computer te analyseren. Tot die tijd is het onderzoek gedaan naar de effectiviteit van 'photoassessments' ook veel belovend. (bijv: Houghton et al., 2003) Rajendran et al. (2006) geven aan dat het gebruik van digitale beeldtechniek het herkennen van eerste graads decubitus zelfs kan verbeteren:
"Preliminary results clearly indicate that the enhanced images exhibit higher contrast and make the pressure ulcer site more conspicuous to the examiner. The experiments show promising results even for subjects with black and dark brown skin colors."
Het LEVV biedt overigens hulp in de vorm van hun 'Decubitushandwijzer voor verzorgenden' en andere fraaie publicaties, zoals een hele serie illustraties over verschillende houdingen, een clientenfolder en een overzicht van de verschillende gradaties van decubitus. Kijk voor (nog) meer informatie op hun website.



Literatuur:
Defloor T, De Bacquer D, Grypdonck MH. (2005): The effect of various combinations of turning and pressure reducing devices on the incidence of pressure ulcers. International journal of nursing studies 2005 Jan pag.37-46

Halfens RJG, Meijers JJM, Neyens JCL, Offermans MPW (2007): Rapportage resultaten Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen. Maastricht: Datawyse/Universitaire Pers

Houghton PE, Kincaid CB, Campbell KE, Woodbury MG, Keast DH. (2003): Photographic assessment of the appearance of chronic pressure and leg ulcers. Advances in skin & wound care 2003 Mar-Apr;16(2):91-6

Levine JM, Savino F, Peterson M, Wolf CR. (2008): Risk management for pressure ulcers: when the family shows up with a camera. Journal of the American Medical Directors Association. 2008 Jun nr.9 pag. 360-363

Rajendran PJ, Leachtenauer J, Kell S, Turner B, Newcomer C, Lyder C, Alwan M. (2006): Improving the detection of stage I pressure ulcers by enhancing digital color images. Conference proceedings : Annual International Conference of the IEEE Engineering in Medicine and Biology Society. IEEE Engineering in Medicine and Biology Society. Conference 2006;1:5206-5209

Schoonhoven L, Haalboom J, Bousema M, Algra A, Grobbee D, Grypdonck M, et al.(2002) Prospective cohort study of routine use of risk assessment scales for prediction of pressure ulcers. BMJ, 2002; 325(7368): 797-800."

woensdag 18 juni 2008

Alzheimer in een ander licht

Wetenschappers hebben mogelijk een manier gevonden om de ziekte van Alzheimer 'in vivo' (d.w.z. terwijl je nog leeft) te diagnosticeren. Want, alhoewel het duidelijk is dat het aantal mensen met de ziekte van Alzheimer flink zal stijgen, het vaststellen van de ziekte zelf is tot op heden in feite pas na de dood met zekerheid te doen: de vorming van zgn. 'amyloid plaques' en neurofibrillaire 'knopen' toont de ziekte van Alzheimer aan. Beiden zijn gevolg van een stoornis in de manier waarop eiwitten in de hersenen samen 'klitten' en daardoor belangrijke processen verstoren. De plaques (die alleen onder de microscoop zichtbaar zijn en ook wel 'seniele plaques' worden genoemd) nemen toe met het vorderden van de ziekte.

(klik op de afbeeldingen voor een grote versie)
Op de afbeelding zijn de seniele plaques met zilver aangegeven:
afbeelding van wiki

neurofibrillaireknopen:


En hier komen bovengenoemde wetenschappers in beeld. Beter gezegd: zij brengen in beeld, want ze hebben ontdekt dat deze plaques een te herkennen invloed uitoefenen op infrarood licht. Het volledig onschadelijke licht wordt na door de hersenen te zijn gestuurd opgevangen en verwerkt, waarbij de onderzoekers duidelijke verschillen konden aantonen tussen mensen met en mensen zonder de plaques (en dus Alzheimer) op basis van de verstrooiing van het licht.

Wonderlijk.

Verder onderzoek naar het gebruik van de methode is nodig (en gaande), maar dit is een prachtige stap in de goede richting!
Hanlon, E.B., Perelman, L.T., Vitkin, E.I., Greco, F.A., McKee, A.C., Kowall, N.W. (2008): Scattering differentiates Alzheimer disease in vitro. Optics Letters, 33(6), 624. DOI: 10.1364/OL.33.000624

woensdag 14 mei 2008

Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen 2007

In 1998 begon de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen als een onderzoek naar de prevalentie van decubitus. In 2007 vond dus de 10e meting plaats. Bestond de onderzochte populatie in 1998 nog uit 86 instellingen, in 2007 ging het om 570 instellingen. Ook ten opzichte van 2006 is er een flinke groei te zien. In de uiteindelijke berekening van de cijfers gaat het echter om 366 instellingen. Dit is gevolg van een selectie op basis van bijvoorbeeld het niet halen van de gestelde deadline, of instellingen met minder dan 30 clienten. De onderzochte instellingen zijn ingedeeld in drie groepen: acute zorg (academisch en algemeen ziekenhuis), chronische zorg (verpleeg- en verzorgingshuis) en thuiszorg. Voor de acute en de chronische zorg werd de meting op 1 dag (3 april 2007) uitgevoerd, voor de thuiszorg ging het om 4 dagen van steekproeven. Ook de val- en fixatiecijfers zijn op andere wijze verkregen. De uiteindelijke meting kent door deze selectie weliswaar een kleinere populatie, maar een laagste respons van 97,2%, hetgeen we als redelijk hoog kunnen beschouwen, zeker als we Braam (2007) mogen geloven. In het rapport is uitgebreid uitgelegd welk probleem wordt gemeten, met welke methoden en hoe de cijfers zijn verdeeld over de populatie. Elk van de 6 onderzoeksgebieden Decubitus, Incontinentie, Ondervoeding, Vallen en fixatie, smetten en decubitus en ondervoeding bij kinderen is in een apart hoofdstuk beschreven. In de hoofdstukken is ook aandacht voor het evidence based behandelen van de beschreven zorgproblemen.
Al met een behoorlijk inzichtelijke publicatie, die zich wat mij betreft ook kenmerkt door een goede leesbaarheid, zonder al te veel moeilijk taalgebruik.

Literatuur:
Halfens RJG, Meijers JJM, Neyens JCL, Offermans MPW (2007): Rapportage resultaten Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen; Datawyse/Universitaire Pers Maastricht

Braam GPA (2007): Mensen en hun problemen in onderzoek: De zwakkeren en ouderen blijven onderbelicht: TIJDSCHRIFT VOOR GERONTOLOGIE EN GERIATRIE

zondag 11 mei 2008

'Diabetesposter'

Nursing stelt via haar website een artikel beschikbaar over diabetes mellitus met daarin een overzicht van aandachtspunten voor verpleegkundigen bij clienten met diabetes. Via de website van nursing is het document echter niet in A3 formaat beschikbaar, maar als twee A4 pagina's die niet echt mooi aansluiten. Voor het gemak heb ik er een A3 pagina van gemaakt.

Staat prachtig op de deuren van de 'zusterpost'!

Klaucke C, Perrels J (2005): Diabetes: welke zorg, wanneer en door wie? Nursing/TvV Diabetes special, december 2005 pag. 14-15

(klik op de afbeelding om de poster in PDF formaat te openen)

Anti-psychotica en longontsteking

Recentelijk onderzoek, uitgevoerd in het UMC Utrecht onder bijna 23.000 patiënten, heeft een verband aangetoond tussen het voorkomen van longontsteking en het gebruik van anti-psychotica door ouderen. Een verhoging van de kans op longontsteking met 60% is het slechte bericht dat de onderzoekers ons brengen. Het risico blijkt het grootst te zijn in de eerste week van het gebruik van de anti-psychotica, waarbij a-typische anti-psychotica (de groep waartoe o.a. clozapine, risperidon en olanzapine behoren) het grootste risico op longontsteking vertoonden.

Referentie:

Wilma Knol, Rob J. van Marum, Paul A. F. Jansen, Patrick C., Alfred F. A. M. Schobben, Antoine C. G. Egberts(2008): Antipsychotic Drug Use and Risk of Pneumonia in Elderly People ; Journal of the American Geriatrics Society 56 (4) , 661–666
(link met abstract)

donderdag 24 april 2008

NVVP over het delirium

De Nederlandse Vereniging Voor Psychiatrie stel diens publicatie 'Richtlijn Delirium' (2004) beschikbaar op internet. In de 128 pagina's tellende publicatie is te lezen wat er nu precies in de verschillende 'standaardwerken' (zoals de DSM-IV en de ICD-10) onder een delirium wordt verstaan. Het biedt verder uitgebreid aandacht aan het medisch handelen rondom de verschillende vormen van het delirium en onderzoek dat er naar gedaan is. Voor verpleegkundigen wordt het vanaf pagina 60 extra interessant.

Veel leesplezier in:

Mw. dr. R.C. van der Mast et al (2004): Richtlijn delirium, uitgeverij Boom Amsterdam
(ISBN: 90 8506 021 4)

maandag 7 april 2008

Het gelijk van Daniel Lohues: CVA patienten hebben ook baat bij muziek

Met het mooie accent dat Drenthe kent, bezingt Daniel Lohues de geneugten van muziek. Iedereen hef baat bij muziek, zo meent de bekrulde zanger-gitarist

Het mooie van wetenschap is dat het dergelijke zaken kan verifieren:

Music can help people recover from stroke
(The Britisch Psychological Society)

Het artikel is gebaseerd op het volgende onderzoek:

Sarkamo, T., Tervaniemi, M., Laitinen, S., Forsblom, A., Soinila, S., Mikkonen, M., Autti, T., Silvennoinen, H.M., Erkkila, J., Laine, M., Peretz, I., Hietanen, M. (2008). Music listening enhances cognitive recovery and mood after middle cerebral artery stroke. Brain, 131(3), 866-876.

(Dat hier overigens in z'n geheel te vinden is)

De onderzoeksgroep bestond uit 60 CVA patienten die vlak na opname in het ziekenhuis gerandomiseerd in drie groepen werden verdeeld. In groep 1 luisterden de patienten hun favoriete muziek 1 a2 uur per dag gedurende 2 maanden de tweede groep kreeg hetzelfde regime, alleen luisterden zij naar een zgn. audiobook in plaats van muziek en de derde groep kreeg geen 'muzikale' behandeling (controle groep)
En de resultaten?
De muziekgroep vertoonde betere prestaties bij opvolgonderzoek: zowel op geheugenfunctie (verbaal), als op vermogen tot aandachts focussing. Ook depressie en verwardheid bleken minder voor te komen onder de muziekgroep.
En dat voor een behandeling die zo goedkoop, toegankelijk en veilig is.

Een ander artikel over hetzelfde onderzoek:
Stroke Recovery Improves with Music (Brainblogger)

TVV online heeft een Nederlandstalig artikel beschikbaar.

donderdag 27 maart 2008

Een beroerde neuroloog

Een wellicht vreemde titel, maar bij het kijken van het filmpje uit de onderstaande link wordt het wel duidelijk hoe het woord beroerd dient te worden opgevat.

My stroke of insight (In het engels)

Jill Bolte Taylor is een neurologe die op een niet zo goede morgen wakker wordt met een bloedig CVA, zo later zou blijken. Haar wetenschappelijke leven heeft ze gewijd aan het bestuderen van het brein (met name schizofreniforme en bipolaire stoornissen). Vanuit deze kennis weet ze de luisteraar te beroeren met haar verhaal, waarin ze op uiterst levendige wijze vertelt over haar ervaring op die ochtend.

maandag 24 maart 2008

Kunstzinnigheid en dementie!

Het is al laat, maar bij het lezen van het artikel 'Alzheimer's patients retain their taste in art' kon ik het niet nalaten. Het artikel is gebaseerd op:

Halpern, A. R., Ly, J., Elkin-Franklin, S., & O'Connor, M. G. (in press). I know what I like: Stability of aesthetic preference in Alzheimer's disease. Brain and Cognition. (bron)

hetgeen te vertalen is als: 'Ik weet wat ik mooi vind: stabiliteit van esthetische voorkeuren bij mensen met de ziekte van Alzheimer'

Het komt er in het kort op neer dat ze de volgende proef hebben gedaan:
Twee groepen; 17 gezonde ouderen en 16 met waarschijnlijke Alzheimer moesten 3 ansichtkaarten met op elk van de ansichtkaarten een kunstwerk uit een bepaalde stijl op volgorde van voorkeur zetten. De verschillende stijlen:

realistisch (voorbeeld)
geabstraheerd (voorbeeld)
abstract (voorbeeld)
Twee weken later werd beide groepen gevraagd dezelfde handeling nogmaals te doen. Er bleek sprake te zijn van relatief weinig verschil in algehele voorkeur, waarbij de 'Alzheimer groep' een zelfde mate van stabiliteit van voorkeur bleek te hebben als de gezonde groep!

Maar het word nog interessanter: In een tweede experiment werd een exact gelijke opzet gehanteerd, ditmaal met twee groepen van twintig personen en de toevoeging van een geheugentest:

De voorkeur voor stijl bleek ook deze keer weer gelijk met de gezonde groep, maar de Alzheimer groep scoorde zeer slecht op de herkenningstest: het feitelijke beeld waren ze geheel vergeten.

Wat mooi is lijkt dat ook lang te blijven, wat het ook zij.